Zon, zee en samen zingen

“Kom nou, Esther!”
Ze stoof de keukendeur uit en fatsoeneerde in de loop haar zomerjurkje.
“Op het strand is geen wc, hè?” Esther onderstreepte haar uitspraak met opgetrokken neus
en liet zich, met vernietigende blik op Joost en mij gericht, zuchtend op de overvolle achterbank
van de Opel Record vallen. Ze voelde de frisbee en het plastic schepje eerder dan ze ze had gezien.
“Aaahh, ik blijf thuis!!”
“Kom op Esther, het wordt vast leuk. Straks liggen we heerlijk in de zon, met chips,
limonade en een boterham uit de koelbox.”
“Als er al geen zand tussen komt!”
“En lekker pootjebaden in zee”, probeerde mama monter.

Joost en ik zongen we zijn er bijna. Esther ontdooide en blèrde luidkeels mee.

Rood

Rood is de warmte 
van de kachel 
die hij voor haar  
behaaglijk heeft opgestookt 
het gedroogde vurenhout 
door hem gekapt 
een jaar geleden 
Rood zijn de wangen 
van hun alles 
na een winterse 
wandelwagenwandeling  
door het bos 
 
Rood is de maaltijd 
van tomaat en bouillon  
geduldig door haar getrokken 
opgediend in oma’s soepterrine 
 
Rood is de zakkende zon aan zee 
die de middag vaarwel kust  
de avond verwelkomt 
aan het einde van weer een dag 
om in te lijsten 
Rood is de liefde tussen hem en haar 
 
 
 

Vogelvrij

Gezonstraald  grof strandzand
Verhit
je voeten
Hink              sprong                  de
           stap                     naar
vloedlijn
Verkoelend zilt water
tempert de warmte
Golven masseren
je tenen
met lage frequentie
Het hart
past zijn ritme aan
Het laken ontrolt zich als
een nieuw verhaal
Geen begin
Geen einde
Kabbelend
Gelukzalige rust