Houvast

Hier ben je
uniek
In het oog van de storm
Alle pijlen op jou gericht
geschoten

Dichte mist ontneemt
het zicht
de stilte raast
het onbekende jaagt
Rust is ver, rumoer
alom

Hier ben je
Wanhopig zoekend
naar steun en klaarte
Een gids die jou leidt naar
helderheid

Een warme knuffel biedt
troost, een vlucht
naar vroeger in het nu
Zoete herinneringen
Een houvast
in bange dagen

Slaapkamergeluk

De deur gaat een klein stukje open, een hand krult zich om de deur en plakt daar een beschreven a4tje tegenaan. Strekking: blijven liggen en wacht op wat komt. Aan die opdracht is makkelijk te voldoen.

In het bovenlicht van de deur doemt een glanzend folie op. Zacht gemompel en voorzichtige voetstappen op de vloerbedekking van de overloop.

Gelijk met het opengaan van de deur klinken twee harde knallen en voordat wij goed en wel beseffen wat er gebeurt, ligt ons bed bezaaid met confetti. Door het gouden glittergordijn stappen zoon en dochter onze kamer in: ‘Goedemorgen!’. Ook de slingers voor dit feestje hoeven wij niet eens zelf op te hangen.

Gelijk met de humor, die op straat ligt, hangt de liefde hier in de lucht. Met als resultaat deze verrassende start van onze bruidsdagen. Het aftellen is begonnen.

De prins en zijn koningin

20180423_114511.jpg

De stad maakt zich op voor de komst van de koning en de koningin. Uit de kluiten gewassen betonnen legoblokken liggen klaar om later deze week de route van Willem-Alexander en Máxima af te bakenen. Verkeersborden springen als tijdelijke paddenstoelen uit de grond en foto’s van de bezoeken van vroegere vorstinnen aan de stad, worden in uitbundig versierde, oranje gekleurde, etalages tentoongesteld.

Veiligheid boven alles

De klok van de Martinitoren wijst mij op koffietijd en ik stap het knusse café onder de blikvanger van de stad binnen. Als de serveerster mij mijn koffie komt brengen, vraag ik haar naar de oranjegekte in de stad. “Dat valt wel mee hoor”, glimlacht ze. “Het is wel zo, dat wij vrijdag pas om 12 uur mogen openen. Da’s wel jammer, natuurlijk”. Tsja, er gaat aanstaande vrijdag niets boven veiligheid in Groningen. En dat is goed te begrijpen.

Ik zoek een zonovergoten luwe plek in de stad en vind mijn A-locatie in het raamkozijn van een gebouw aan de Munnikeholm. De straat die de A-Kerkhof verbindt met het Gedempte Zuiderdiep. Van de oranje-drukte is hier nog niets te merken.

Krakende wagens

Een pendelbus rijdt er met grote regelmaat. Fietsers spoeden zich van studentenhuis naar collegezaal, van kinderdagverblijf naar kantoortuin. De hoeveelheid geluid dat een fiets voortbrengt, lijkt omgekeerd evenredig met de leeftijd van de bestuurder. Op de plaats waar bij de jonge ouder een kinderzitje gedegen aan het stuur is gemonteerd, bungelt bij de student een ijzeren hangslot in het ritme van zijn trapfrequentie heen en weer. Een ketting schuurt langs het interieur van een open kettingkast. Ik vermoed dat de fietsers hun kelen met grotere regelmaat smeren.

Een tandje lager

Naast het snelverkeer op het asfalt, verloopt het vervoer op het trottoir in een lagere versnelling. Ik zie de man met zijn vriendinnetje-van-toen wandelen. De branie is verdwenen, de liefde is overduidelijk gebleven. Hand in hand schuifelen zij over de grijze tegels.

De ochtendzon lokt aan de overzijde van de straat. Met haar hand in de zijne maakt hij aanstalten de straat over te steken. Een fietsende student stuurt behoedzaam om het echtpaar heen. Voor de stoeprand houdt de man stil en heft zijn rechter- en daarmee haar linkerhand. Pas nadat hij, ooit haar prins op het witte paard, er zeker van is dat zij met beide benen op de stoep staat, volgt hij haar, al jarenlang zíjn koningin.

Even gaat er niets boven glinsterende grijze haren in het zonlicht van Groningen.

Deze foto is gemaakt in het kader van de #PHOT Photo On Thursday, een blogexperiment van Karin Ramaker. Een vrije foto-opdracht: een zelfgemaakte foto, zonder thema met of zonder begeleidende tekst, maar wel mét een titel.

Vergeet-jou-niet

Ik ben er, in het kille duister
als de zon zich niet laat zien
huilen we samen in de schemer
branden kaarsen bovendien

Wanneer het koud wordt aan je schouders
omhelst mijn hart vol liefde jouw verdriet
en wrijf ik zachtjes langs je wangen,
ik ben een vergeet-jou-niet

 

De mosselman

‘Hoe kom je erbij?!’ Hij nam de sigaret uit zijn mond, perste zijn droge lippen op elkaar en duwde tegelijkertijd zijn mondhoeken in zijn wangen. Rook zocht tussen zijn neusharen een weg naar buiten en mismoedig schudde de man zijn hoofd. Een blik vol onbegrip richtte zich op de vrouw.

‘Nou ja, ik zag mosselen op de menukaart staan. En het is zo lang geleden dat ik die gegeten heb…. Weet je nog Theo, die keer in Sche…’
‘Ja, ja, Scheveningen,’ onderbrak hij haar bruusk. ‘In dat houten boetje bij het strand. Wat een géld!’
‘Ah ja… de zon straalde als ik. En ik gloeide zeker net als de zon. Wat was ik verliefd op je Thé….’
Haar in pantykous gehulde voet zocht zijn benen.
‘Een brutale snotaap. Dát was die ober. Liep nota bene met jou te flirten! Dat weet ik nog al te goed.’
Roos deinsde terug en haakte haar voet om de poot van haar stoel. Ze liet zich niet uit het veld slaan.
‘Nou, daarom heb ik mosselen besteld Thé. Ik wil weer even terug naar die mooie avond op het strand.’

De filtersigaret stak uit zijn linker mondhoek en de man nam er nukkig een haal van. Met het inhaleren bewoog de sigaret licht omhoog. Wanneer de rook zich via zijn neusgaten over de tafel verspreidde, won de zwaartekracht het van de sigaret. Met zijn ogen tot spleetjes tuurde hij over haar schouder naar de bewegingen op straat. Het regende. Zo voelde hij zich ook.
Roos kon niet goed omgaan met de stiltes die Theo, steeds vaker en steeds langer, liet vallen. Ze draaide nerveus aan haar trouwring, om daarmee moed te verzamelen voor een nieuwe woordenstroom. Ze probeerde het luchtig te houden.
‘En jij dan Théo, hoezo neem jij een uitsmijter? Je moet wel om je cholesterol denken, hè?’
‘Dan hoef jij dat ook niet te doen’, snauwde hij.
Hij zuchtte, ging verzitten en leunend op zijn rechter-elleboog boog hij naar haar toe:
‘Toen dat leuke obertje met jou liep te flirten, heb ik de uitsmijter een geeltje gegeven om die ober in zijn kraag te vatten. Weet jij dat nog, Roosje? Daarom lijkt mij, bij jouw mosselen, een uitsmijter wel toepasselijk.’

De rillingen liepen Roos over de rug. De ober zorgde met het uitserveren van hun bestelling voor wat afleiding, maar er was inmiddels een geluidswal tussen de twee echtelieden opgetrokken die Roos alle lucht ontnam. Haar gedachten tuimelden over elkaar heen en bij iedere mossel die ze at, zette ze in gedachten een stap verder bij haar man vandaan. Met de bodem van het pannetje in zicht, nam ze het servet van haar schoot. Ze depte waardig haar beide mondhoeken, schoof haar stoel geruisloos naar achteren en stond op.
‘Wat ga je doen?’ snauwde hij.
Roos woog haar woorden zorgvuldig. Humor Roos, dacht ze. Met humor.
Op fluistertoon zingend vroeg ze hem: ‘Zeg, ken jij de mosselman?’

De sigaret viel op het geborduurde tafellaken.
Hij kon zijn ogen niet geloven toen hij de deur zachtjes achter Roos zag dichtvallen.