Zijn neus achterna

20171003_152529

Hij staat op het plein voor de supermarkt en hij heeft goede zin. Vrolijk kwispelend ziet hij een tweevoeter naderen. Als de vrouw dichterbij komt, komen zijn voorpoten los van de grond en in het kleine hupje dat hij maakt, trekt hij zijn kop een stukje naar achter. Ik ben geen hondenfluisteraar, maar ik kan aan de lichaamstaal van het beestje zeggen, dat hij zin heeft in gezelschap. Misschien wel in een spelletje. De vrouw loopt de winkel binnen, net zoals zijn baasje zojuist deed.

Met het vastzetten van een hond aan een prullenbak is niets mis. Integendeel: hulde voor het baasje! Hulde, omdat het huisdier dankzij de knoop in de halsband honkvast zijn baasje afwacht. Bovendien kan de trouwe viervoeter gewoonweg niet mee tijdens de rondgang langs de gekoelde vleeswaren, kazen en karbonades.

Hij staat op het plein voor de supermarkt, op nog geen vier meter verwijderd van een tot de rand toe gevulde korf met ballen in allerlei kleuren…. Die kleuren doen hem niet veel, zoveel weet ik inmiddels van hondenogen, maar toch. Al dat speelgoed binnen pootbereik….

Hij staat op het plein voor de supermarkt en ik heb met hem te doen. Het is als een stapel extra pure chocoladerepen voor mij neerleggen, zodat ik kan zien hoe mooi ze zijn verpakt.

Hij staat op het plein voor de supermarkt en krijgt zijn baasje in het vizier: hij blaft van plezier, springt op en wijst met twee poten tegelijk naar de bont gevulde bak. Baasje ontwart de knoop in de halsband en samen stappen ze langs de korf.

Hij stopt op het plein voor de supermarkt en besnuffelt de korf. Zo te zien ruikt de roze het lekkerste van allemaal. Baasje haalt zijn neus ervoor op, hij vindt er geen bal aan.

 

Deze foto is gemaakt in het kader van de #PHOT Photo On Tuesday, een blogexperiment van Karin Ramaker. Een vrije foto-opdracht: een zelfgemaakte foto, zonder thema met of zonder begeleidende tekst, maar wel mét een titel.

Koninklijk II

President Gerbrand Philipsen dribbelde met korte passen achter mevrouw Van Bloemendaal aan in de richting van de buitendeur. Haar bloed pompte als een razende door haar aderen en al haar spieren stonden strak gespannen, als de snaren op een perfect gestemde gitaar. Vlak voor de drempel wist Philipsen haar in te halen en hield hoffelijk de deur voor haar open. Hij ontdooide haar onderkoelde blik met zijn bruine ogen.

Zij zuchtte.

“Och Gerbrand, wat moet ik nu? Ik kan dit níet over mijn kant laten gaan. Omdat Jansen zo nodig van een overtollige partij lamellen van een klus op Soestdijk af wil, zouden mijn handgeknoopte gordijnen uit het clubhuis moeten verdwijnen. Het is bij de beesten af!” “Koest, Anneke. Koest.”

Koninklijk

Het sluimerende ongenoegen over de gang van zaken binnen het bestuur van de hondenvereniging kwam gisteravond tot een onaangename uitbarsting. De immer correcte mevrouw Van Bloemendaal nam ongehoorde woorden in de mond. De secretaresse kreeg de uitlatingen simpelweg niet op papier; Een drietal door twee haakjes omsloten puntjes illustreerden de vele gecensureerde krachttermen van Van Bloemendaal.
De president van de club schorste door een ferme klap met zijn voorzittershamer de vergadering voor vijf minuten. Van Bloemendaal moest even afkoelen.

De afvaardiging van de overkoepelende bond mocht geen verkeerde indruk van zijn vereniging krijgen. Zijn jarenlange lobby voor het predicaat ‘Koninklijk’ kon geen vergeefse moeite zijn geweest.
Niet nu. Niet hier.
Hij had zijn speech al klaar. Het nieuwe briefpapier ook.

Ontmoeting

 

Anouk zoog haar longen vol met zilte zeelucht. Bovenaan het duin overviel het gevoel van vrijheid haar telkens weer.
De zee, het strand, de wind. Alle dagen vakantie.
Bink zette het op een rennen. En als altijd liep hij sneller dan zijn voorpootjes konden bijbenen. En als altijd sloeg hij voorover in het zand: Boem!
Ook voor hem wende het nooit.
“Fwíet!”
Anouk floot en haar viervoeter kwam aanstormen. Die cursus had zich dubbel en dwars uitbetaald, er was niets vervelender dan een hond die niet luisterde.
Na een kwartiertje zwemmen lag ze nog even te dobberen in de branding. Het wiegen van de kalme golven werkte meditatief. Niet voor Bink. Hij rende weer als een dolle over het brede strand.
“Au!!”
Anouk keek verschrikt om.
Ze zag Bink en naast hem in het zand krabbelde een man overeind. Mopperend. Vloekend en tierend eigenlijk. De slungelige gestalte schudde -net als Bink- zijn haren uit. Ze moest moeite doen haar lachen in te houden.
“Is die hond van jou?!”, gromde de man.
Anouk haastte zich uit het water naar de plaats delict en reikte de man haar hand: “Sorry hoor, gaat het wel?”
De man wilde tekeer gaan, maar de aanblik van Anouks stralend blauwe ogen in haar zongebruinde gelaat bracht hem van zijn à propos….
“Ehm…. wat een gelukkig toeval dat uw hond en ik elkaar troffen! Mag ik u uitnodigen voor een kop koffie?”