Ik was eens

Merels zingen. Ik kijk opgetogen uit mijn slaapkamerraam en neurie zacht. Aan de majestueuze eikenbomen langs de allée wapperen witte linten, het schijnsel van de vroege ochtendzon geeft ze een parelmoeren glans. Het gazon van de paleistuin rolt zich als een reusachtig biljartlaken voor mij uit. Rondom staan coniferen, als groene wachters strak in het gelid. De paarse lupines, witte hortensia’s en roze rozen bloeien uitbundig.
Voor het prieel staan op het gazon witte stoelen in rijen van acht opgesteld. In het midden is een looppad vrijgehouden en aan weerszijden ervan is aan iedere stoel een corsage van roze rozen gebonden. De lange tafels achterin de tuin zijn met wit tafellinnen gedekt en opgesierd met lage bloemstukken van hedera, gerbera’s en diezelfde prachtige roze rozen.

Antoine heeft een uur werk om de papillotten uit mijn haar te ontwarren, maar oh, wat komt er een prachtige bos krullen tevoorschijn! Mijn kamermeisjes trekken mij mijn smetteloos witte jurk aan en als vanzelf worden mijn bewegingen klein en gracieus. De stof betovert me! De met kanten bloemen geborduurde bruidssluier maakt mij tot een prinses, die het gewone volk alleen uit sprookjesboeken kent.

Trompetgeschal wekt me uit mijn dagdroom. Daar is hij! Mijn hart slaat over en de vlinders onder mijn korset maken een vrije val. Licht als een veertje zweef ik naar het venster en zie de feestelijke stoet paarden, onder aanvoering van prins Joachim, de poorten van ons landgoed naderen. Zo snel en sierlijk als maar kan schrijd ik de lange trap af naar omlaag, naar papa. Hij lijkt nog nerveuzer dan ik!
“M-mijn kleine meisje….”, stamelt hij met tranen in zijn ogen.
Wanneer we het strijkkwartet Wagners bruidsmars horen inzetten, strekt papa zijn rechterarm naar mij uit: “Het is zover, liefje. Kom, we gaan.”
Behalve oma, staan alle gasten op van hun stoel. Papa en ik lopen gearmd vanachter uit de tuin naar het prieel, waar Joachim en de dominee op ons staan te wachten.
Papa geeft mijn aanstaande mijn hand en knijpt me liefkozend in mijn wang. En nog eens, en nog eens…
“Hou op!”, snauw ik en schud mijn hoofd.

“Mám, hier. Je koffie. Je wilde toch koffie?”
Ik kijk om me heen en zie de lupines bloeien, de rozen ook. Over de rand van mijn mok zie ik nog net een kikker onder de hortensia’s verdwijnen.

Geef een reactie

Gelieve met een van deze methodes in te loggen om je reactie te plaatsen:

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s